Op het Hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis

Door: Abt Benedikt Bauer

Zonder erfzonde

“Geheel schoon zijt Gij, Maria! In u is geen vlek van de erfzonde. Uw kleed is wit als sneeuw, uw aangezicht stralend van licht als de zon. Gij zijt de roem van Jeruzalem, gij de vreugde van Israël, gij de eer van ons volk!” In Maria is vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan alles reinheid, genade, heiligheid, hemelse schoonheid en heerlijkheid. Zij alleen, de enige uit het gehele menselijk geslacht, is in het geheel niet door de adem van de zonde geraakt. Zij is de ongeschonden lelie, geheel en al reinheid, licht. Ja, zo moet zij zijn, in wie GOD Zijn verblijf wil nemen. Zij is een reine spiegel van de heerlijkheid en heiligheid van GOD!

Dankzij Jezus

Maria dankt haar voorrecht aan de verdiensten van haar goddelijke Zoon, door GOD vooruitgezien. Zij is de eerste en heerlijkste vrucht van Christus’ verlossingsdood, zij is op volmaakter wijze verlost, d.i. voor de erfzonde bewaard. Omdat zij zonder erfzonde is, is zij ook zonder enige persoonlijke zonde, haar gehele leven lang. Geheel en al reinheid in denken, in voelen, in willen, in leven. Omdat zij zonder erfzonde is, daarom is zij maagd naar geest en lichaam. Omdat zij zonder erfzonde is, daarom is zij Moeder van de Zoon van GOD. “Grote dingen heeft aan u gedaan de Machtige.”

Uit: Die Grote Evangelische Peerle – 16de eeuw.

De heilige Maria, de Moeder van GOD, geleek uitermate op JEZUS, ze was één geest met GOD en werd door Hem geschapen. Zij bood zichzelf aan als een geschikt instrument waarmee GOD zijn liefste wil kon uitvoeren. Zij was een van de armen van geest, want zij droeg zichzelf voortdurend aan GOD op met volkomen ontlediging van zichzelf. En zo opende zij voor GOD de toegang tot haar geest, tot haar ziel en tot haar lichaam.

Zij was rein van ziel, want nooit was zij gekeerd naar iets dat geschapen is, maar zij was rijk aan alle deugden. Ook was zij rein van hart en lichaam, want nooit werd zij tot zonden bewogen en zij was vrij van de erfzonde. Hierdoor was zij stralend en wit als sneeuw, de engelen gelijk en van de Godheid doorschenen.

God alleen

Al haar doen en laten was steeds gericht op GOD en GOD was altijd in haar het begin en het einde. Want zij was onafgebroken met GOD verenigd en geen ogenblik buiten zijn tegenwoordigheid. Daarom liet geen schepsel een zinnelijke voorstelling bij haar achter of had toegang tot haar, maar zij aanschouwde met de engelen alle dingen eenvoudig in GOD. Daarom wendde zij haar vermogens niet naar het uitwendige, naar aanzien en allerlei verstrooiingen, maar zij bleef altijd uit haarzelf eenvoudig ingekeerd in GOD en GOD in haar. Zij was meer een hemels dan een aards schepsel, doorstraald met de zuiverheid van de Godheid, zoals de eerste mens in het paradijs, want er was geen beletsel tussen haar en GOD.

Nieuw paradijs

Zo was Maria in staat een dochter te zijn van de Vader, een moeder van de Zoon en een bruid van de Heilige Geest, een heiligdom en een tempel van God, waarin Hij heerlijk rust, in het maagdelijk lichaam, als een bruidegom in zijn slaapvertrek. Hij schepte er zo een groot genoegen en heerlijkheid in onder haar maagdelijk hart te rusten als en een lusthof van allerlei welriekende bloemen en kruiden. Want de geur van haar welriekende deugden hebben de hemelen van de Heilige Drie-eenheid vloeiend gemaakt als honing, en hemel en aarde met vruchtbaarheid vervuld. Zij is de glanzende dageraad, want zij heeft voor ons de Zon der gerechtigheid ter wereld gebracht. Zij heeft van ons afgenomen de vervloeking van Eva en ons de zegen teruggeschonken.

Psalmgebed

Aan u het geluk en de eerste plaats om uw schoonheid en gratie, maagd Maria!

  1. Aan u het geluk en de eerste plaats om uw schoonheid en gratie, maagd Maria!

Luister, vrouw, en wees aandachtig: de Koning zelf heeft u begeerd.

  1. Om uw schoonheid en gratie, maagd Maria!

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

  1. Aan u het geluk en de eerste plaats om uw schoonheid en gratie, maagd Maria!

* Terug