Je bent hier: start » de_smarten_van_maria

De smarten van Maria

Door: Kardinaal Journet

Profetie

De woorden van Simeon zijn de eerste van de zeven smarten van Maria. Ze zijn vol geladen van de andere zes smarten, die ze donker aanduiden, en ze vervullen het hart van Maria met een onuitsprekelijk leed. Haar kind zal op vijandschap stoten. Hij wil de Zijnen redden, maar de Zijnen zullen hun uiterste best doen, om Hem in het verderf te storten.

In de woorden van Simeon ontdekt Maria afgronddiepe diepte, waarvan hij geen weet heeft. Deze profetie ontstelt haar, ja nog meer, ze overspoelt haar met bittere smarten. Ze is gebroken naar ziel en lichaam. Haar gehele schoonheid is in droefheid gehuld. Ze klaagt heimelijk in haar hart. Noem mij niet meer de zoete maar de bittere, want de Almachtige heeft me zeer met bitterheid vervuld.

Hoop

Maar ze is in geen geval terneergeslagen. Juist uit de diepte van heer bittere smart, groeit in haar het licht van een ongewoon mooi morgenrood: ze heeft van nu af aan de zekerheid dat het Gods wil is haar zoon op Zijn lijdensweg te vergezellen.

Ze heeft de zekerheid, dat het gruwelijke lijden van haar kind, door het tedere medelijden van de moeder enigszins verzacht mag worden. Gesteund door deze oprichtende hoop, wacht ze op het diep doordringende zwaard, dat tegelijk met het hart van haar kind, ook háár hart zal openen.

Vlucht

Maria ervaart wat vluchten betekent, een overijlde vlucht midden in de nacht, ver weg naar een land van verbanning, waar de gewoontes en de taal, ha zelfs zijn ligging onbekend voor haar zijn. Hoe zal ze haar kind beschermen tegen de vermoeienissen van de reis, hitte, honger, dorst en uitputting? En dan vooral het dreigende doodsgevaar….

Ach, welke verlatenheid in deze dagen en nachten op de eenzame paden door de woestijn. Zal God dan niet eens het geringste wonder voor dit Kind verrichten? Is Het ook werkelijk Zijn Kind? Maar waarom lijkt het er dan op, alsof Hij Zich nauwelijks daarom bekommert? Waarom levert Hij Het uit – temidden van vijanden – aan de ontoereikende en veel te hulpeloze zorg van tweearme mensen?

Niet alleen haar hart, maar ook haar geloof worden op de proef gesteld door dit grote geheim. Maar haar geloof wankelt niet. Het loutert zich in de nacht.

Klacht

“Ze begrepen niet, wat Hij met deze woorden wilde zeggen”. En toch wist Maria, dat Hij bij Zijn Vader moest zijn. Ze kende de buitengewone zending van haar Kind. Ze wist dat Hij veel meer de Zoon van God was, als haar eigen zoon. Maria heeft nu een geheimzinnige beproeving te doorstaan. Bittere duisternis dringt haar hart binnen. Hoewel geen zondesmet haar overschaduwt, voelt ze zich onwaardig voor haar opgave, en door haar Kind verstoten….

Dit gevoel brengt haar in een vreselijke doodsangst. Ze doorstaat nu reeds een soort troosteloosheid, zoals haar Kind deze later in Zijn lijden als drank gerikt krijgt. De klacht van haar hart: “Mijn Zoon, mijn Zoon, waarom heb je mij verlaten?” klinkt als een vroege aankondiging van een andere klacht, die nog hartverscheurender zal zijn….

Fiat

Deze nacht van doodsangst zal vanwege de vreugde van het terugvinden voor een ogenblik als achter een gordijn verzinken. Want Jezus keert met hen naar Nazaret terug en “was hen onderdanig”. Maar die nacht zal opnieuw over haar neerdalen, als Jezus weggaat de woestijn in. Voor Maria zal daaruit een groot licht opgaan. Jezus levert haar uit aan het gevoel van verlatenheid, om haar deel te laten nemen aan die troosteloosheid, aan die doodsangst, waarin zich de verlossing moet voltrekken. Doordat haar Zoon haar reeds van te voren van Zijn kerk laat drinken, bemint Hij haar nog méér als dat zij waagde te hopen.

De derde smart, waarop de eerste twee voorbereidden, is de smart te moeten voelen, hoe zich de uiterst zuivere banden van de zichtbare tegenwoordigheid, die haar onuitsprekelijk innig aan haar Kind bonden, zich langzaamaan losmaken. Ze ziet het en ze wil het, met een gepijnigde wil, zoals Jezus in de Hof van Olijven. Deze smart is het die dagelijks dieper in haar hart insnijdt, de smart die ten dode leidt.

* Terug